Opmerkelijke uitspraken – door STab (onafhankelijk adviesbureau van de Raad van State)

JURISPRUDENTIE

PLANSCHADEVERGOEDING TE AMERSFOORT

10/23/2013 2:00 AM

CASUS

Op 17 maart 2007 heeft vennoot a het pand te Amersfoort (hierna: het pand) gekocht. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Stadsvernieuwingsplan Kern” (hierna: het bestemmingsplan). Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college met toepassing van artikel 19 van de WRO aan vennoot a vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van het pand als horecagelegenheid. Op 18 september 2007 heeft vennoot a een aanvraag ingediend voor een drank- en horecavergunning op het adres van het pand. Op 5 december 2008 is deze vergunning aan vennoot a verleend.
Op 19 september 2007 heeft het college besloten met toepassing van de vrijstellingsprocedure van artikel 19, derde lid, van de WRO medewerking te verlenen aan het plaatsen van een zogenoemde urilift “een openbaar, in de grond verzinkbaar urinoir” op de hoek van de Groenmarkt en de Windsteeg. Bij besluit van 16 november 2007 is vervolgens vrijstelling (hierna: het vrijstellingsbesluit) en een bouwvergunning verleend. Op 11 oktober 2007 heeft vennoot a een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een terras bij het pand. Op 18 september 2008 is aan vennoot a een terrasvergunning verleend.
De vennootschap van vennoot a en vennoot b exploiteert een bed and breakfast. Deze is op 30 april 2008 geopend. De genoemde urilift is begin 2008 op ongeveer 10 m afstand van de voorgevel van het pand geplaatst. Hij bevindt zich op het deel van de openbare weg waarvoor appellante een terrasvergunning heeft.
Bij brief van 2 oktober 2008 heeft appellante het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade. Aan dat verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat het vrijstellingsbesluit tot waardevermindering van het pand en tot inkomensderving heeft geleid.
Het college heeft de urilift in januari 2012 verplaatst naar een andere locatie op de Groenmarkt.
RECHTSVRAAG

Komen de waardevermindering van het pand en de inkomensderving voor tegemoetkoming in aanmerking?
UITSPRAAK

Niet in geschil is dat het college de urilift in januari 2012 heeft verplaatst naar een andere locatie op de Groenmarkt en dat appellante bij de exploitatie van de bed and breakfast thans geen hinder meer ondervindt van de urilift. Nu de schadeoorzaak is weggenomen “de urilift is ter plaatse verwijderd en het vrijstellingsbesluit is daardoor uitgewerkt” is het college appellante anderszins tegemoet gekomen. De gestelde schade bestaande uit waardedaling van de onroerende zaak is slechts tijdelijk van aard en geeft daarom in beginsel geen aanspraak op een tegemoetkoming. Ook ingeval horecapanden op een andere wijze worden gewaardeerd dan woningen en het waardedrukkend effect dat de urilift tussen 2008 en 2012 heeft gehad op de omzet van appellante nog doorwerkt in de waardering van het pand, zoals appellante betoogt, is dat waardedrukkend effect over een aantal jaren verdwenen en derhalve nog steeds tijdelijk van aard.
De exploitatie door appellante van de bed and breakfast is aangevangen op het moment van opening ervan, dit is 30 april 2008. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat gemist voordeel uit niet-aangevangen bedrijfsvoering niet voor tegemoetkoming in aanmerking komt. De niet aangevangen bedrijfsvoering betrof in die gevallen plannen die door de planologische maatregel waren verhinderd en waarvoor op de peildatum nog geen enkele bedrijfsmatige investering was gedaan. De situatie van appellante verschilt essentieel van die in evenbedoelde jurisprudentie. In dit geval kon op de peildatum, 19 november 2007, als vaststaand worden aangenomen dat appellante de bed and breakfast zou gaan exploiteren. Het pand had vennoot a daartoe in maart 2007 aangekocht en het college heeft aan vennoot a op 14 augustus 2007 vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van het pand als horecagelegenheid. Vennoot a heeft vervolgens een aanvraag om een drank- en horecavergunning ingediend. Ook zijn substantiële investeringen in het pand gedaan om het als bed and breakfast geschikt te maken. Deze omstandigheden rechtvaardigen dat in dit geval inkomensderving voor tegemoetkoming in aanmerking kan komen op de voet van artikel 6.1 van de Wro, voor zover deze is ontstaan na de aanvang van de exploitatie op 30 april 2008 en er een oorzakelijk verband bestaat tussen het vrijstellingsbesluit en de gestelde inkomensderving.

Link naar de uitspraak: 201209467/1/A2
Disclaimer | Privacy verklaring | Colofon | Cookiebeleid | © StAB. Alle rechten voorbehouden

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s